Inhoudstafel van de verhalen

Dagelijks leven

Het dagelijks leven van mensen speelt zich af rond allerlei gebruiken. Feesten, rituelen, sport en spel, verhalen, liedjes en muziek, ambachten, kleding, eten en drinken hebben te maken met levende tradities. Familieleden, vrienden en buurtbewoners beleven ze samen. Sommige tradities worden zelfs door alle Nederlanders gedeeld. Zoals Sinterklaas, Koningsdag en beschuit met muisjes. Andere tradities, zoals bolussen, ringrijden en slabberjan, ervaren mensen juist als typisch Zeeuws. Voor allemaal geldt dat mensen er in hun dagelijks leven betekenis aan hechten en dat ze zich inspannen om de tradities levend te houden en door te geven.

Kunst en cultuur

Hoe gaven Zeeuwen kleur aan hun bestaan? Zilveren en porseleinen voorwerpen in musea getuigen van rijkdom in vroeger tijd. Een enkele schitterende buitenplaats die de slopershamer heeft weerstaan, ademt nog diezelfde weelde. Al die pracht en praal verleenden de eigenaar status en versierden zijn bestaan. De middeleeuwse kunst en cultuur stonden voor een belangrijk deel in dienst van de kerk. De welvaart in de 17de eeuw leidde tot een bloeiend kunstleven. Door de eeuwen heen beoefenden vele Zeeuwen de kunsten in de kleine kring van familie en vrienden. Ze musiceerden, zongen, schreven gedichten, tekenden en bekwaamden zich in rederijkerskamers in de voordrachtskunst. Zeeland trekt al eeuwenlang ook kunstenaars van buiten de provincie aan. Rond 1900 kwamen toonaangevende schilders naar de Zeeuwse kust om er het Zeeuws licht vast te leggen.

Land en water

Door de lange kustlijn van Zeeland speelt de zee hier van oudsher een grote rol. In de middeleeuwen wierpen de bewoners de eerste dijken op om zich tegen de zee te beschermen. Ook werden hoogopgeslibde schorren bedijkt en drooggelegd. Deze polders leverden vruchtbare landbouwgrond. Nederzettingen ontwikkelden zich tot dorpen en steden. Het stratenplan van veel nog bestaande dorpen en steden in Zeeland gaat terug tot de middeleeuwen. Stormvloeden vaagden bij tijd en wijle grote delen land ook weer weg. Hele dorpen verdronken. Eeuwenlang vormde het water binnen de zeekeringen een ander groot probleem. Sommige delen van Zeeland stonden in de winter bijna altijd onder water. Dat land was ongeschikt voor landbouw en bovendien niet begaanbaar. De bewoners verplaatsten zich in kleine schuitjes. Vanaf het eind van de 19de eeuw kwamen er betere wegen en konden mensen zich gemakkelijker en sneller verplaatsen. Ook het afwateringsprobleem kon met succes worden aangepakt.

Macht en gezag

Wie regeerden Zeeland? Wie zetelden er in de stadhuizen en gerechtsgebouwen? Kerkelijke gezagsdragers waren in de middeleeuwen erg machtig. Hun invloed op het wereldlijk bestuur ging verloren met de Opstand en hervorming aan het eind van de 16de eeuw. Ook de adel verloor in Zeeland aan invloed. Vanaf de 17de eeuw hadden rijke stedelingen het voor het zeggen. Ze hadden zitting in de stadsbesturen en het bestuur van het gewest. Mensen van minder goede komaf waren lange tijd nagenoeg uitgesloten van de macht. Maar dat betekende niet dat zij zich alles maar lieten zeggen. In verzoekschriften aan de bestuurders lieten ze van zich horen. En als dat niet hielp, ontketenden ze een oproer. Zo dwongen ze de bestuurders om toch naar hen te luisteren. Vanaf het eind van de 18de eeuw kregen steeds meer burgers invloed op wie er in de besturen kwamen en wat daar werd besloten. De democratische rechtsstaat was geboren.

Onderwijs en wetenschap

Ook al had Zeeland tot voor kort geen universiteit, aan knappe koppen was er geen gebrek. In de middeleeuwen waren kerkelijke instellingen centra van onderwijs en geleerdheid. Al in de 14de eeuw kwamen er in de steden scholen die los stonden van de kerk. In de dorpen verzorgde een schoolmeester de lessen, vaak voor alle leerlingen ongeacht hun leeftijd. Wie talent en geld had, kon doorleren aan de Latijnse of Franse school in de stad. Grote groepen mensen bleven echter analfabeet. Dat veranderde vanaf het midden van de 19de eeuw toen steeds meer kinderen lager onderwijs gingen volgen. Scholen vormden niet de enige plek om zich intellectueel te ontplooien. Volwassenen maakten ook in andere verbanden studie van de wereld die hen omringde. In de 18de eeuw richtten zij daartoe genootschappen op. Zeeuwen – meestal van gegoede komaf – converseerden ook in leesgezelschappen, lazen kranten en wisselden in brieven ideeën en nieuwtjes uit. Ook op die manier dachten zij na over de natuur, de mens en de wereld om hen heen.

Religie

De aan goden gewijde altaren, zoals die voor Nehalennia, zijn stille getuigen van het geloofsleven van mensen in de Romeinse tijd. Het christendom kwam in de 7de eeuw naar het huidige Zeeland. Vermoedelijk verloor het fors aan invloed in de tijd van de Noormannen, maar daarna verstevigde de kerk zijn greep. Er kwamen overal parochies met kerken en geestelijken om het geloofsleven van de bevolking in goede banen te leiden. Het overgrote deel van Zeeland werd met de hervorming aan het eind van de 16de eeuw protestant. De nieuwe kerkgemeenten namen de oude katholieke kerkgebouwen in. De protestanten stelden zich tolerant op tegenover andere gelovigen als joden, doopsgezinden en katholieken. Eind 18de eeuw volgde de politieke gelijkstelling van alle godsdiensten. Vanaf toen konden ook de andere religieuze gezindten meer naar buiten treden. De katholieken bouwden nieuwe kerken. In de protestantse kerken splitsten zich in en na de 19de eeuw nieuwe geloofsrichtingen af. Dat werd ook zichtbaar in het straatbeeld. In veel dorpen staan daarom meerdere kerkgebouwen.

Sociaal leven

Macht, rijkdom en status vielen niet iedereen gelijk ten deel. In de late middeleeuwen groeiden de sociale tegenstellingen. De adel was toen nog een bevoorrechte groep in Zeeland, daarna waren dat vooral de rijke stedelingen. Maar een elite van rijke boeren wist zich op het platteland eveneens een belangrijke positie toe te eigenen. De ongelijkheid leidde op zijn tijd tot spanningen, maar bijna nooit tot grote uitbarstingen van sociale onrust. Niettemin leefden veel Zeeuwen tot ver in de 19de eeuw in armoede. Wie het echt niet meer zelf kon rooien, werd geholpen door de kerkelijke diaconie of het plaatselijke armbestuur. In de zorg voor zieken, betere huisvesting en voeding zouden pas na de 19de eeuw grote stappen voorwaarts worden gezet.

Verdediging en strijd

Ver weg of dichtbij, Zeeland was door de eeuwen heen menigmaal bij oorlogen betrokken. Of het bewaarde ternauwernood zijn neutraliteit. Eeuwenlang hield het gewest een eigen Admiraliteit op de been om in tijden van oorlog zijn mannetje te kunnen staan. De Zeeuwse oorlogsvloot leverde een bijdrage in gewapende conflicten tussen de Europese grootmachten. Door de ligging aan de monding van de Schelde was Zeeland zelf een strategisch belangrijk gebied. Vanaf de vroegste tijden werden er militaire werken aangelegd. Ringwalburgen beschermden tegen aanvallen van de Vikingen. In de 11de eeuw verschenen de eerste mottekastelen, later vervangen door stenen kastelen. Steden kregen vestingwallen en stenen verdedigingswerken. Verdedigingslinies, zoals de Staats-Spaanse linies, trokken lange lijnen in het landschap. In de tijd van Napoleon, begin 19de eeuw, werd Zeeland als het ware omgebouwd tot één groot fort. Maar in de strijd werden ook helden geboren. Michiel de Ruyter, de gebroeders Evertsen, Jacob Hobein en kolonel Ledel verwierven een plek in de Zeeuwse geschiedenis. Tegenover hen staan de vele anonieme soldaten en burgerslachtoffers die het leven lieten. Velen vielen ten prooi aan vijandelijk vuur, anderen bleken niet bestand tegen de beruchte Zeeuwse koortsen.

Werk en bedrijvigheid

Zeeland heeft tijden gekend van grote economische voorspoed, maar ook van diep verval. Aan het eind van de middeleeuwen groeide de economie van vooral de havensteden. De visserij, handel en nijverheid bloeiden. De rede van Walcheren was rond het midden van de 16de eeuw het centrum van de Zeeuwse handel en scheepvaart. Middelburg, Vlissingen, Arnemuiden en Zierikzee werden belangrijke handelshavens. De wolhandel bracht Veere fortuin. Aan het eind van de 16de eeuw richtten Middelburg en Vlissingen zich op nieuwe handelsactiviteiten, zoals de VOC en de kaapvaart. Samen met Zierikzee bepaalden deze steden de gouden eeuw van Zeeland. Die duurde tot ver in de 18de eeuw. Maar ook de landbouw was belangrijk. Die werd op een vooruitstrevende manier beoefend. En door de ligging aan het water was ook de visserij een belangrijke bedrijfstak. Vooral na 1750 werd de landbouw voor Zeeland van groter belang. In de tweede helft van de 19de eeuw verrezen in het oosten van Zeeuws-Vlaanderen de eerste grote fabrieken. In de 20ste eeuw kwam aan de Zeeuwse kust het toerisme tot ontwikkeling. Daaraan verdienden steeds meer Zeeuwen een boterham.


De enige twee suikerfabrieken die Zeeland heeft gekend, stonden in Sas van Gent. De eerste was een fabriek van particuliere eigenaren en werd in 1872 opgericht. Een tweede – ditmaal coöperatieve – fabriek kwam er in 1900. Concurrentie (ook internationaal) maakte schaalvergroting noodzakelijk. Dat had in de Nederlandse suikerindustrie fusies en overnames tot gevolg. De kleine fabrieken legden daarbij het loodje. Zij konden niet langer rendabel produceren.

Zeeland en de wereld

Zeeuwen trekken al eeuwenlang de wereld door. Op ontdekkingsreis, op handelsvaart of op zoek naar een nieuw bestaan in den vreemde. De Middelburger Jacob Roggeveen ontdekte Paaseiland. Suriname was in de 17de eeuw even Zeeuws bezit. Zeeuwse kooplieden bevoeren de wereldzeeën om handel te drijven. Zo bereikten uitheemse stoffen, specerijen, koffie en cacao Zeeland. De betrokkenheid van Zeeuwen bij de slavenhandel werpt een forse schaduw op dit verleden. In de 19de eeuw vertrokken grote groepen Zeeuwen naar Amerika om daar hun geluk te beproeven. Omgekeerd zetten mensen van over de hele wereld voet aan wal in Zeeland. Scheepslieden, kooplieden, soldaten en nieuwsgierige reizigers legden er contacten. Talloze immigranten vestigden zich hier voorgoed. Hugenoten en Salzburgers kwamen hier in de 17de en 18de eeuw omdat ze in hun eigen land vanwege hun geloof werden onderdrukt. Maar ook politieke motieven konden een reden zijn om zich in Zeeland te vestigen. Dat was zo voor de Portugese Joden in de 16de eeuw en Molukkers in de jaren 1950. En Vlamingen vluchtten in 1585 uit Antwerpen om zowel religieuze als politieke beweegredenen. Voor Turkse en Marokkaanse gastarbeiders waren economische perspectieven reden voor hun komst. Al met al zijn er maar weinig Zeeuwen die zich 100 procent Zeeuw kunnen noemen.


Al in 1667, het jaar van de verovering stuurden de Staten van Zeeland Willem Mogge, een ervaren ingenieur/landmeter, naar de nieuwe kolonie  "Suriname" om toezicht te gaan houden op de bouw van nieuwe vestingwerken en om een zo groot mogelijk deel van het gebied in kaart te brengen. Hij kreeg een kist met boeken over fortenbouw, landmeters instrumenten en perkament mee. Al twee jaar later beschikte men in Middelburg over een eerste kaart van zijn hand. Verbeterde en gedrukte versies hiervan bleven nog tientallen jaren in gebruik.