EHBO tijdens de coronacrisis


Sinds september stijgt het aantal besmetting met het coronavirus weer. Daarom moet men voorzichtig omgaan met reanimaties. Het coronavirus kan worden overgebracht via de luchtwegen en daarom zijn de richtlijnen voor reanimeren aangepast. Het Rode Kruis volgt het advies van de Nederlandse Reanimatieraad.

 
De techniek van een zoetzoutscheidingssysteem​ in sluizen .

In Zeeland varen dagelijks schepen vanaf de zoute Oosterschelde via de Krammersluizen het zoete Volkerak-Zoommeer op. En elke lading schepen neemt zout water mee. Dat komt doordat zout water iets zwaarder is dan zoet water, en het zoete water in een schutkolk (het gedeelte van de sluis waar de schepen in liggen) verdringt. Die instroom van zout water is vervelend. Want de natuur in en rondom het Volkerak-Zoommeer is op zoet water ingesteld. En de boeren in de omgeving ook. Zij gebruiken het water van het meer voor de irrigatie van hun gewassen. Wat zoet is, moet zoet blijven. Daarom voert Rijkswaterstaat bij de Krammersluizen al jaren een stille strijd tegen het zout. Het nieuwste middel in deze strijd? Een innovatief gordijn van luchtbellen, een handige variatie op een al bestaande uitvinding.​
infographicjpg




Luchtbellen worden al langer gebruikt om zoet en zout water te scheiden. ‘In de jaren zestig en zeventig werden de eerste ‘bellenschermen’ gebouwd in verschillende sluizen in Nederland’, vertelt René Boeters, die civiele techniek studeerde en nu technisch manager is bij Rijkswaterstaat. Het idee erachter is even slim als eenvoudig: leg een buis met gaten op de bodem van een sluis en pers er lucht doorheen. Het bellengordijn dat zo ontstaat, vormt een natuurlijke barrière die zout en zoet water van elkaar scheidt. De schutkolk blijft vervolgens zo zoet mogelijk. Helaas kleven er nadelen aan de ouderwetse bellenschermen. ‘De buizen hebben vrij grote gaten’, legt Boeters uit. ‘Daardoor heb je de eerste halve meter tot een meter vanaf de bodem alleen luchtstralen, en ontstaan pas daarboven bellen.’ Tussen de stralen door kan zout water de kolk in lekken. Nog een nadeel: omdat lucht vanaf de zijkant de buis in wordt gepompt, is de luchtdruk bij de eerste gaten heel hoog. Maar bij de gaten die verder van de luchtbron liggen, is de druk minder hoog. Die ongelijke verdeling maakt dat het bellenscherm niet overal even sterk is, waardoor meer zout van de ene naar de andere kant lekt.​

Het nieuwe bellenscherm moet ervoor zorgen dat minder zout water in de schutkolk (en dus ook in het Volkerak-Zoommeer) terechtkomt. De doorbraak zit ’m in speciale mondstukken (of nozzles) die door een Engelse uitvinder zijn ontwikkeld. Oorspronkelijk waren die nozzles bedoeld voor de beluchting van diepe, stilstaande meren en plassen, waar problemen met de waterkwaliteit op de loer liggen. ‘Maar in 2009 bedachten Deltares en Rijkswaterstaat dat de technologie waarschijnlijk ook geschikt was voor de zoet-zoutscheiding in sluizen’, zegt Boeters. Anders dan bij de buis met de gaten erin, is de luchtstroom bij de Engelse uitvinding overal gelijk. Bovendien produceren de spuitmonden direct bellen, niet stralen die verder naar boven pas in bellen veranderen.​

Waarom blijft een boot drijven ?

De wet van Archimedes
Een object met een bepaald volume, zal ondergedompeld in een vloeistof een opwaartse stuwkracht ondervinden gelijk aan de massa van het weggeduwde volume vloeistof. Een blok van 1 kubieke meter ondergedompeld in water zal 1 kubieke meter water wegduwen. Het gewicht van dit volume water is 1000 kg. De kracht die het water op het blok zal uitoefenen is dus groot genoeg om 1000 kg te laten zweven. Als het blok meer weegt dan zal het zinken, weegt het minder dan drijft het. Het gewicht per volume zal dus belangrijk zijn. Men noemt dit massadichtheid of soortelijk gewicht van een stof. Als je 1 kg lood afweegt en het blokje vergelijkt met 1 kg pluimen, dan valt meteen het verschil in hoeveelheid op. Het blokje lood is veel kleiner dan de berg pluimen. Het verschil zit in de massadichtheid: hoeveel een stof weegt per kubieke meter. Voor water is dit ongeveer 1000 kg per kubieke meter (1 kubieke meter = 1000 liter). Elke stof die een hogere massadichtheid heeft zal zinken. Het gewicht van de stof is dan kleiner dan het gewicht van het weggeduwde water. Het volume water zal dus te weinig kracht leveren om de stof drijvende te houden.
Massadichtheid van een schip
Een schip dat blijft drijven moet dus een lagere massadichtheid hebbendan water! Maar hoe maken we een groot stalen schip “licht” genoeg? Een massief stalen blok heeft een massadichtheid van ongeveer 7800 kg/m3. Veel groter dus dan de 1000 kg/m3 van water, waardoor het zal zinken. De massadichtheid moet dus drastisch worden teruggeschroefd. Waarom blijft een schip drijven?
Een schip is echter hol! Hierdoor is een groot deel van het volume lucht. Lucht is, zoals iedereen weet, “lichter” dan water. Denk maar aan een die luchtmatras waar u soms op ronddrijft. De massadichtheid van lucht is 1,29 kg/m3. Het gemiddelde van de massadichtheid van staal en die van lucht zal dus de echte massadichtheid van het schip zijn. Deze is, hopelijk, lager dan 1000 kg/m3 en dus zal het schip blijven drijven.
Diepgang van een schip
Ook de diepgang wordt bepaald door het soortelijk gewicht. Een schip volgeladen met goederen zal dieper wegzakken in het water. Het volume blijft gelijk maar het gewicht neemt toe, de massadichtheid is dus groter geworden. De hoeveelheid water die het ongeladen schip drijvende hield volstaat niet meer. Pas wanneer het schip dieper wegzakt en dus meer water verplaatst zal het water sterk genoeg
terugduwen.

sinking-2jpg

Waarom zinken schepen?

Stijgt de massadichtheid boven die van water dan zal het schip zinken. In dit geval is het schip overladen. Het verplaatst te weinig water om zijn gewicht drijvende te houden. Ook een lek in het schip zal ervoor zorgen dat de gemiddelde massadichtheid boven die van water zal stijgen. Het “zwaardere” water duwt immers de “lichtere” lucht weg, waardoor alleen het zware stalen omhulsel overblijft. Deze zal vervolgens de dieperik in zakken. ​
Het ezelsbruggetje voor het morse alfabet

Bij elke letter hoort een woord of kort zinnetje. Dit is de 'sleutel' tot bijbehorende morse code. De sleutel is eenvoudig: elke lettergreep (van dit woord of kort zinnetje) met een "o" erin, staat voor een streep, elke andere lettergreep voor een punt. ​
Lettergreep met o=streep, lettergreep met a, e, etc.=punt:
a anton [. -]
b bokkewagen [- . . .]
c commandobrug [- . - .]
d dorsvlegel [- . .]
e es [.]
f feestgenoten [. . - .]
g grootmoeder [- - .]
h huisbewaarder [. . . .]
i inktvis [. .]
j ja o zo mooi [. - - -]
k kloosterpoort [- . -]
l limonade [. - . .]
m motor [- -]
n noordne [- .]
o oorlogsvloot [- - -]
p per motorfiets [. - - .]
q quolsdorp in nood [- - . -]
r revolver [. - .]
s seinsleutel [. . .]
t ton [-]
u uniform [. . -]
v vakantie-oord [. . . -]
w windmotor [. - -]
x zonder slagwoord [- . . -]
y yorkernoordkop [- . - -]
z zoeloekaffer [- - . .]

SOS (SAVE OUR SOULS)  . . . - - - . . .

Samuel Morse ontwikkelt de morsecode

De uitvinder wordt op 27 april 1791 geboren in de Amerikaanse staat Massachusetts als zoon van een calvinistische dominee en aardrijkskundige. Nadat Samuel Morse zijn schoolopleiding aan het Yale College heeft afgerond wordt hij schilder. In 1810 vertrekt hij voor het eerst naar Engeland om zich daar verder te bekwamen in de schilderkunst.

Pavoisering

Een oud gebruik bij feestelijke gelegenheden bestaat eruit om de seinvlaggen te gebruiken om het schip te ‘pavoiseren’. Dit wil zeggen dat de seinvlaggen in een willekeurige volgorde aan elkaar geknoopt worden en het want (alle lijnen en stagen van de mast) van het schip versieren. Het is een gebruik dat zowel in de marine als in de zee-, binnen- en pleziervaart voorkomt. Ook in de visserij is het een bekend gegeven. In Nederlandse havens als Scheveningen, IJmuiden en Vlaardingen vindt zelfs jaarlijks een Vlaggetjesdag plaats. Op deze feestdag, veelal de zaterdag voor het uitvaren van de vloot voor de eerste haringvangst van het jaar (mei of juni), liggen de vissersschepen dan ‘gepavoiseerd’ in de haven.

Sinds het begin dat de mens de zee is gaan bevaren, heeft men getracht een systeem te ontwikkelen dat schepen onderling elkaar berichten konden doorgeven. De Oude Egyptenaren- en Grieken hadden reeds een systeem, met een volgens afspraak gemaakte kleuren code, met gekleurde linten.
Pas in 1817 werd door de Britse marineofficier Frederick Marryat een systeem ontwikkeld om koopvaardijschepen door middel van seinvlaggen vanaf afstand op zee te herkennen. Een schip kreeg een groep en een nummer toebedeeld en diende de bijbehorende seinvlaggen te voeren.


Hoeveel km overbrug je als je op het strand staat en naar de horizon, over zee kijkt?​

Ooghoogte : afstand horizon
1.0 m: 3.7 km (+/- ooghoogte van een kind)
1.7 m: 4.8 km (+/- ooghoogte van een volwassene)
7.0 m: 9.8 km (+/- ooghoogte van een volwassene + dijkhoogte)
35 m: 22 km (+/- hoogte van appartement in België + dijkhoogte)
100 m: 37 km
200 m: 53 km
300 m: 64 km
400 m: 74 km
500 m: 83 km
De meeste gebruikte formule om dit te bereken is: afstand = vierkantswortel van 13 maal de ooghoogte .
Aangezien schepen een aantal tientallen meter en windmolens een aantal honderden meters hoog kunnen zijn, kan je die nog veel verder zien staan​ .

Via de marifoon leg je contact met andere schepen en met sluizen, verkeersposten en andere walstations. Of met de kustwacht. Op zee en op binnenwater. Je weet wat er in je omgeving gebeurt en je kunt een veilige koers uitstippelen.

Je onderhoudt met de marifoon contact met verkeersbegeleiders mee. Je ontvangt er veiligheidsberichten mee aan boord. En je noodoproep wordt gehoord door iedereen die zijn marifoon uitluistert.


Zuiging door grote schepen

Zuiging is een fenomeen dat met name grote schepen veroorzaken en ook de effecten van ondervinden. Een klein schip dat door een groot schip wordt ingehaald of dat zelf een groot schip inhaalt, kan wel last hebben van de zuiging die het grote schip veroorzaakt.
Wat is zuiging nu precies? Zuiging is een stroming die optreedt rond schepen met een grote waterverplaatsing en die zowel naar het grote schip toe als daar vandaan kan staan. Zuiging wordt veroorzaakt door dat grote schepen veel water wegduwen met hun boeg en met hun schroef.
Aan de voorkant van een groot schip wordt het water in een golf, de boeggolf, opgestuwd. Het water in deze ophoging vloeit in voorwaartse, zijwaartse en achterwaartse richting weg. Het effect is dat er rond de boeg van een groot schip stromingen in alle richtingen van de boeg weg lopen. Als je als klein schip in zo een stroming terecht komt, kan je behoorlijk uit koers worden gezet.


Daemes-en-Heeren_Zuigende-werking-1jpg

Aan de achterkant van het grote schip treedt eenzelfde effect op omdat de schroef water van voren aanzuigt en in achterwaartse richting wegstuwt. Hier vind je de hekgolf, die ook in alle richtingen bij het grote schip vandaan stroomt.
In het midden van het grote schip vindt een verlaging van het waterniveau plaats, waardoor daar water heen stroomt.  
Het effect van zuiging van grote schepen is groter naarmate zij een grotere waterverplaatsing hebben (over het algemeen een geladen binnenvaarder) en wanneer zij harder varen. Kleine schepen zullen met name hinder ondervinden wanneer zij door een groot schip worden ingehaald. Bij het passeren van de boeggolf en de hekgolf vaar je door sterke, wat kronkelende stromingen. Je schip kan daardoor flink uit koers raken en op en neer deinen in de golven. Tussen de boeggolf en de hekgolf, bij passage van het middelste deel van de binnenvaarder, wordt je juist naar het passerende schip toegezogen. Als je dan te dicht bij een binnenvaarder zit, kan je zelfs een aanvaring hebben.
Als een groot schip een ander groot schip voorbijloopt (inhaalt) is het effect van zuiging nòg sterker en daarom moeten zij altijd veel zijwaartse afstand houden. Als twee grote schepen elkaar op tegengestelde koersen naderen (elkaar van voren naderen) zal het effect van de zuiging er juist voor zorgen dat zij bij elkaar weg worden gezet ​

Motorvermogen en rompsnelheid van een boot .

Een gemakkelijk rekensommetje om de rompsnelheid te bepalen van een boot met een waterlijn van 11,70 meter is: (De rompsnelheid = de snelheidsgraad van de boot x de wortel uit de lengte van de waterlijn). (De rompsnelheid = 4,5 x de wortel uit 11,70) (De rompsnelheid = 4,5 x 3,42) hetgeen komt op 15,40 Km/uur.                             
De snelheidsgraad is per type boot verschillend en hiervoor bestaan tabellen afhankelijk van vorm en lengte van het onderwaterschip .

Een gemakkelijk rekensommetje om het nominale motorvermogen te bepalen van een waterverplaatsende boot van 20 ton is: (Benodigd motorvermogen = motorvermogen (in Kw per ton) x waterverplaatsing (in tonnen)) (Benodigd motorvermogen = 3,0 x 20) hetgeen komt op 60Kw (= 81,6Pk). (4.5 Kw=+-6Pk)
Het maximale motorvermogen van een waterverplaatsende boot van 20 ton is: (Benodigd motorvermogen = motorvermogen (in Kw per ton) x waterverplaatsing (in tonnen)) (Benodigd motorvermogen = 4,5 x 20) hetgeen komt op 90Kw (= 122Pk).

De zeemijl
Pas in 1929 werd in Monaco tussen diverse landen vastgelegd dat de zeemijl, of liever de international nautical mile, 1.851,8 meter telt. De tegenwoordige zeemijl is dus korter dan de vroegere Engelse zeemijl (1.853 meter) en Engelse landmijl (1.609 meter). 
De huidige international nautical mile (de zeemijl) is op de volgende berekening gebaseerd: de aarde heeft men verdeeld in 360 lengtegraden. Op de evenaar komt één lengtegraad uit op 40.000 gedeeld door 360, dat is 111,11 kilometer. Elke lengtegraad is weer verdeeld in 60 lengteminuten. Eén lengteminuut is dus 1851,8 meter. Knopen tellen per minuut

Knopen tellen per minuut

Eén van de gereedschappen die de schepen van de Verenigde Oostindische Compagnie voor de navigatie aan boord hadden was de handlog. Alleen duurde het relatief lang voordat de log bij de VOC werd ingevoerd. De handlog is vermoedelijk een Engelse uitvinding van omstreeks 1574. De handlog is een houten cirkelvormig of driehoekig plankje, dat aan een kant verzwaard is met lood zodat het recht op in het water staat. Het logplankje zit vast aan een lang touw, ook wel de loglijn of 'gissinglijntje' genoemd. Op regelmatige afstanden van elkaar zijn op het touw knopen aangebracht. Als het schip vaart kan de log over boord gezet worden en telt men het aantal knopen dat de loglijn uitloopt gedurende een kwart of de helft van een minuut. Aan de hand van het 'aantal knopen' dat men voer, kon de afstand berekend worden dat een schip per etmaal aflegde.



De Nulmeridiaan zoals aangegeven op Gilwell Park.

De Jurrasic coast van Nederland bij Cadzand-Bad

   

CADZAND-BAD - De kans op het vinden van een haaientand is gelukkig vele malen groter dan de ontmoeting met een levende haai in Zeeland. De haaientanden die je op het Zeeuwse strand kunt vinden zijn dan ook niet van recente datum, maar stammen uit lang vervlogen tijden.

Paleontologische zoektocht op het strand

De haaientanden op het strand zijn soms miljoenen jaren oud. Behalve de tanden kun je soms ook fosiele schelpen, tanden van roggen en andere dingen vinden. Bij slecht weer kun je overigens beter bij de banketbakker binnenstappen. Daar verkopen ze de haaiendtanden in doosjes tegelijkertijd - maar dan wel van chocolade.

Kaloot , strand (fossielenlocatie)

Ook op het eiland Walcheren (het eiland waar Vlissingen, Middelburg en Goes liggen) maak je kans om haaientanden te vinden. Aan de Westerschelde, onder de rook van de kern­centrale van Borsele, ligt het strand Kaloot. Met veel geluk kun je ook hier allerlei fossiele schelpen, tanden en zelfs pre-­historische botten vinden. Door erosie van de bodem voor de kust en het uitdiepen van de Westerschelde komen de vondsten naar boven en spoelen aan. Inmiddels wordt het strand bedreigd door de bouw van een container-­terminal.

Beroemde zeeuwen

Elisabeth Cornelia (Els) Vader

Ze vestigde nationale records op de 100, 200 en 400 meter outdoor en 50 en 60 meter indoor. Els Vader veroverde 23 nationale titels en deed mee aan drie Olympische Spelen. Haar record op de 200 meter van 22,81 seconden zou dertig jaar standhouden, totdat Dafne Schippers dat verbeterde.

‘Ze had nog veel beter kunnen zijn als ze zich volledig op de atletiek had kunnen concentreren’, zegt haar man Haico Scharn, die zelf topatleet was op de middenafstanden. ‘Maar ze combineerde het altijd met een fulltimebaan als fysiotherapeut en later business process manager bij de Spoorwegpolitie en ABN Amro.’ Bovendien werd tijdens haar atletiekcarrière in de jaren tachtig de dienst uitgemaakt door nu van doping verdachte DDR-sprinters. In 1985 werd ze tijdens de EK indoor derde op de 200 meter achter twee Oost-Duitsen. Vlak daarna brak ze haar voet bij een scooterongeluk op Kreta. Maar ze kwam na een lange revalidatie terug en deed nog mee aan de Olympische Spelen van 1988 in Seoul, waar ze de 100 meter liep en deel uitmaakte van het estafetteteam met Nelli Cooman.


Augustinus (Guus) Vleugel

Guus Vleugel werd geboren op 29 april 1932 in Goes. Het tekstdichten begint al in het jeugd. Al tijdens zijn gymnasiumtijd schrijft hij al liedjes voor zijn plezier. In 1952 begint hij aan een studie Frans taal en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. De studie wil echter niet vlotten, aangezien Vleugel zich meer en meer op het schrijven van liedteksten richt. Het is Wim Sonneveld die in 1954 zorgt voor de doorbraak. Sonneveld bestelt twee liedjes voor de ster van zijn cabaret, Conny Stuart: “Ik Praat Niet Met De Mensen” en “Diep In Mijn Hart Ben Ik Een Lellebel”. De invloed van het grote voorbeeld van Guus Vleugel, Annie M.G. Schmidt is met name in deze nummers goed te horen. Behalve deze twee nummers levert Vleugel meer tekstmateriaal voor het cabaretgezelschap van Sonneveld. In dezelfde periode laat Vleugel ook een andere kant van zijn talent zien, hij debuteert als dichter. Onder het pseudoniem Guus Valleide publiceert hij enige gedichtenbundels.

Martinus Antonius (Maarten) Ducrot 

Wielrennen is de enige sport waar de vedetten onder handbereik van het publiek komen. Je kunt ze gewoon aanraken. Daar geef ik TV commentaar op voor de NOS en leg verbanden met verhalen uit het 'gewone leven'.

 De 'oude Mart Smeets' noemde dat  Wiellullen: filosoferen over het leven dat in een wielerkoers binnen 200 km geleefd wordt, met alles wat daarbij hoort van held worden tot liegen en bedriegen


Harmen Reinoud Siezen

Harmen Siezen wordt geboren op het Zeeuwse eiland Schouwen-Duiveland, in het kleine dorpje Dreischor. Siezens vader is dominee en hierdoor moet de familie regelmatig verhuizen. Achtereenvolgens woont Siezen in Zaltbommel, Den Haag, het Drentse dorp Peinze en Rotterdam. Wanneer hij zijn ambitie om ook dominee te worden laat varen, droomt Siezen er tijdens zijn jeugd vooral van om voetbalverslaggever te worden. Hij ziet Leo Pagano en Dick van Rijn dan ook als zijn grote voorbeelden. Deze droombaan komt er uiteindelijk niet van, maar werken bij de radio wel. Na een jaar als uitwisselingsstudent in Amerika te hebben gewoond, vervult hij de twee jaar van zijn dienstplicht in Nederland. Na deze periode begint zijn carrière in de media en de journalistiek wanneer hij aan de slag gaat bij het persbureau United Press International in Den Haag.

Rik Mol

Sinds 2016 ben ik in vaste dienst bij het Metropole Orkest, maar daarvoor speelde ik ook al als solo-trompettist bij het MO. Op achtjarige leeftijd begon ik met trompet spelen en werd als tiener toegelaten op het Haagse conservatorium. Eerst ging ik de klassieke kant op, maar na een aantal privélessen bij Wynton Marsalis, begon ik me meer en meer richting de jazz en pop te oriënteren. Maar ik sluit geen enkel genre uit, en beweeg me gemakkelijk binnen de stijlen van de jazz- en popmuziek. Ik hou van vrijwel alle muzieksoorten en denk niet graag in kaders. Daarom heb ik ook in talloze formaties gespeeld, componeer ik, heb commercials ingespeeld en aan cd-opnames meegewerkt. Ik heb ook bij Ruud Breuls gestudeerd. Na zijn vertrek bij het MO heb ik als het ware zijn stokje overgenomen.

Het is moeilijk kiezen, maar als ik een project mag noemen waar ik goede herinneringen aan heb, is het de tour door Duitsland met Gregory Porter. Dat was ook nog samen met Ruud Breuls. Alles viel toen samen. Een van de muzikale hoogtepunten waar ik tevreden op terugkijk.


Katinka Simonse 

TINKEBELL.'s work often leaves her with a lot of negative feedback. From all corners of the web people have used the relative anonimity of the internet to send her the most foul deathwishes. Fascinated by the enormous anger and cruelty of these messages, she tried to find the people behind them. To her surprise these were ordinary people living ordinary lives. For these people the internet was a faceless funnel for their anger, a one-click way of justifying their indignance. TINKEBELL.'s reaction to this flood of hatemail was publicizing a book, called 'dearest TINKEBELL.', in which she identifies these anonimous criticasters. In this way she defies the awkward position of an artist on the internet. She no longer is just the reciever of all this faceless anger, but takes charge in responing to it.


TINKEBELL. is an artist and a writer. She calls herself 'story teller and maker'. She wrote several books, works as a columnist, she makes films, does public interventions, she's a lecturer and makes art pieces on the spot but also shows her work in the space of galleries and museums.


Een van de Vlissingse zeehelden waar we in de geschiedenis van Vlissingen niet omheen kunnen is Frans Naerebout. Anders dan zijn zeventiende-eeuwse voorgangers was hij geen kaper, maar een visser die later loods werd. Naerebout staat model voor de vele andere Vlissingse loodsen en reddingswerkers die door de eeuwen heen honderden zeelieden van de verdrinkingsdood hebben gered. Er zijn gedichten, verhalen en boeken over hem geschreven en er staat sinds 1919 een standbeeld in Vlissingen.

Hij is een van de bekendste personen uit de vaderlandse geschiedenis : 
admiraal en zeeheld Michiel de Ruyter
(1607-1676), ook wel bekend als ‘Bestevaer’ (grootvader). In de zeventiende eeuw onderscheidde hij zich op zee door een aantal bijzondere overwinningen. De Tocht naar Chatham (juni 1667) was een van de meest bijzondere operaties van De Ruyter: in het hol van de leeuw wist hij de Engelsen een zware slag toe te dienen.

Cichoreibloem

In tijden van stoere barista’s die het bereiden van latte macchiato, frappuccino en dubbele espresso tot een kunstvorm hebben verheven, is de snelfiltermaling min of meer een curiositeit, een restant van vroeger. Maar snelfiltermaling was in ieder geval wel koffie. Échte koffie. Dat kun je niet zeggen van de cichoreidrank die menigeen tot in de jaren zestig van de vorige eeuw naar binnen werkte. Surrogaatkoffie was het en vooral Belgen waren er dol op. De grondstof kwam onder andere uit Ouddorp. Daar stonden vijf cichoreifabrieken.

'Goed – maar afgezien van riolering, medische kennis, onderwijs, wijn, openbare orde, irrigatie, wegen, drinkwatervoorziening en gezondheidszorg – wat hebben de Romeinen nou helemaal voor ons gedaan?'

Het zijn twee Vlaamse tapijten, vermoedelijk gemaakt te Brussel aan het einde van de 16e eeuw.

Hoewel het oude Middelburgse stadhuis sinds 2004 in gebruik is bij de University College Roosevelt, worden er nog altijd trouwerijen in het imposante gotische deel gehouden. En wie er trouwt doet dat in een fraai aangeklede ruimte met aan beide zijden wandtapijten. Er bevinden zich namelijk vier grote wandtapijten in het stadhuis: twee in de Burgerzaal en twee in de Trouwzaal.

Scheepvaart North Sea Port
Als zeehaven is North Sea Port toegankelijk voor zeeschepen van over de hele wereld, door de strategische ligging aan de Noordzee. De diepgang varieert van 17 meter in Vlissingen tot 12,5 meter in het Kanaal Gent-Terneuzen en in Gent, 32 kilometer landinwaarts. Bijna 9.500 zeeschepen meren jaarlijks aan in North Sea Port gaande van capesizers, kustvaarders, containerschepen over ro/ro-schepen en bulkschepen.

Sluiskil aan de kanaalzone

Zoals bij vele Europese kunstmestproductielocaties, was de ontwikkeling gerelateerd aan de beschikbaarheid van cokesoven gas uit een naburige cokesfabriek. Tegenwoordig gebruikt Yara Sluiskil vooral Noordzeegas om hoogwaardige stikstofmeststoffen en industriële chemicaliën te produceren.

De Sluiskilbrug of Brug Sluiskil, is een draaibrug gelegen in de niet-autosnelweg N61 tussen de Zeeuwse plaatsen Terneuzen en Sluiskil in de provincie Zeeland. De brug overspant het Kanaal van Gent naar Terneuzen.

Sluiskil lag van oorsprong aan het Axelse Gat, een zijtak van de Honte. Midden in dit water lag een schorrengebied dat in 1699 werd ingedijkt. Op het eiland (met een grootte van 300 hectare) werden vijf boerderijen gebouwd en zes arbeiderswoningen. Alle aan- en afvoer van mensen, dieren, producten en bestaansmiddelen naar en van dit eiland moest per schip geschieden. Vandaar dat in 1704 een overzetveer ging varen tussen Sluiskil en dit eiland. De eerste schipper was Francois Hermanssen. Het veer zorgde voor meer bedrijvigheid op het eiland, maar ook Sluiskil profiteerde. Behalve een veerhuis werd ook de eerste herberg gebouwd.

Vissen in het kanaal Gent-Terneuzen
Ze zijn bruin aan de onderkant en geel aan de bovenkant: de 70 meter hoge reuzen die te zien zijn op grote delen van Walcheren, Zuid-Beveland en Zeeuws-Vlaanderen. Ze staan in Vlissingen-Oost en vormen het onderstel voor een windmolen.

De gigantische windmolen onderdelen staan op het terrein van Bow Terminal. Op dit moment staan er 32 van die jackets, zoals ze worden genoemd. Binnenkort komen er nog 20 van die onderstellen bij.

De onderstellen worden in Dubai in elkaar gezet. De bruine onderkant komt op de zeebodem te staan, het gele bovenstuk steekt boven de zee uit en daar worden windmolens op geplaatst. De jackets worden op de zeebodem bevestigd op 50 meter lange buizen die in de bodem worden gedrild.



Wij zijn een Nederlands familiebedrijf met ruim 150 jaar ervaring als internationale waterbouwer. Ondernemerschap en betrokkenheid kenmerken onze cultuur. 1868 markeert voor ons het startpunt van de onderneming zoals wij die nu kennen. Vanuit een rijk verleden, met alle expertise en ervaring die we in al die jaren hebben opgedaan, kijken wij naar de toekomst.

Kokmeeuw

Als vogelliefhebber en/of vogelaar is de zuidkust van Schouwen een plek die je niet mag missen! Dit gebied mag met recht de grootste vogelboulevard van Zeeland genoemd worden en strekt zich uit van Ouwerkerk tot Oosterscheldekering. Vogels kijken kan er eigenlijk overal, het is een kwestie van oren en ogen open houden. Vooral in de inlagen en slikken van Schouwen-Duiveland tref je heel veel verschillende vogels aan. Schouwen-Duiveland is door haar rust, ruimte en natuur ideaal voor vogels. We hebben een top 10 samengesteld van de meest voorkomende vogels.

Loodsboot

Om in het donker zichtbaar te zijn maken alle schepen gebruik van navigatielichten. Behalve voor het zichtbaar maken, helpen navigatielichten je om te bepalen van welke kant je een schip ziet en om welk soort schip het gaat. Het is makkelijk om de verlichting van vaarwegmarkering en navigatielichten uit elkaar te houden want vaarwegmarkering heeft verlichting die aan en uit gaat en navigatieverlichting is altijd aan.

Bakboordlicht is rood en schijnt over een hoek van 112 ½°
Stuurboord licht is groen en schijnt eveneens over een hoek van 112 ½°
Toplicht is wit en schijnt over een hoek van 225°
Het heklicht is eveneens wit en schijnt over een hoek van 135°. Het toplicht en het heklicht zijn samen 360° (135+225) zodat deze vervangen mogen worden voor een rondomschijnend wit licht.

“Langzaamaan veranderde het landschap, niet alleen door de bunkers. Overal op Walcheren werden palen geplant, boomstammen van 10 tot 25 cm dik. Die stonden dan ongeveer 20 meter van elkaar af. Voor deze palen zijn heel wat bomen omgehakt op dijken, wegen en particuliere terreinen. In Zoutelande bijvoorbeeld werden in 10 dagen tijd 469 bomen gekapt. De leerlingen van de twee hoogste klassen kregen vrij van school. Met een schop moesten ze gaten graven waar de Duitsers vervolgens palen in zetten. Aan de palen werden draden vastgemaakt om luchtlandingstroepen te hinderen bij eventuele luchtlandingen. De bevolking noemde die palen Rommelasperges."

Johan van Veen "vader van het Deltaplan"

Van Veens waarschuwingen en ideeën werden jarenlang genegeerd. Hij is bij het grote publiek dan ook te weinig bekend. Als er gesproken wordt over grote waterbouwkundigen valt meteen de naam Lely en de afsluiting van de Zuiderzee. Toch is het niet zo dat zijn prestaties minder werden gewaardeerd.

Van Veen en was en bleef een stugge Groninger Over hem werd in 1967 geschreven: “… hij was een eigenwijs en tegendraads mannetje die zijn hele leven wist dat hij slimmer was dan anderen. Zijn bazen bij Rijkswaterstaat keken de andere kant op als hij weer met een alarmerend rapport kwam”.


Van Veen was een scherpzinnig ingenieur die zich bezig hield met waterstromingen en zandverplaatsingen langs de kust. Naast het Deltaplan was hij ook de bedenker van Europoort en de Eemshaven. In 1955 werd hij benoemd tot hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat. Een functie die hij bekleedde tot aan zijn persimoen in 1958.



 

Knopen in de scheepvaart

In 1949 ontstond de Mijnenuitkijkdienst (MUD). De opbouw van deze organisatie aan de Westerschelde had de hoogste urgentie. In een later stadium zouden deze ook aan de Nieuwe Waterweg, Noordzee Kanaal en de toegang van Den Helder worden opgezet. Een ontworpen betonnen paal werd in productie genomen waarvan er een kleine honderd op dijken en duinen langs de Westerschelde werden geplaatst. In de volksmond MUD palen genoemd maar officieel droegen ze de benaming Pelorusstand. Een pelorus is een eenvoudig nautisch richtmiddel. Door kruispeilingen kon men de afstand bepalen. De gewapend betonnen vierkanten palen hebben een betonvoet die ter stabilisatie ingegraven diende te worden. De bovenste dertig centimeter van de paal is rond en hier is ook een stalen ring aangebracht. Met klemschroeven kon hier de pelorus op geplaatst worden. Deze posten langs de wal werden waluitkijkposten genoemd afgekort als WUP. Tussen Terneuzen en de Belgische grens waren 15 uitkijkposten op schepen voorgenomen om de bewaking te optimaliseren. Deze kregen de naam scheepsuitkijkposten, afgekort tot SUP. Mocht worden waargenomen dat Russische bommenwerpers zeemijnen in de Westerschelde wierpen werden posities van de inslagen op het water oppervlak vastgesteld door de mijnenuitkijkposten en doorgegeven aan het hoofdkwartier. Deze alarmeerde de marine waarop vanuit Vlissingen mijnenvegers uitvoeren om deze gevaarlijke obstakels te elimineren. Langs de Belgische oevers van de Schelde en in het havengebied van Antwerpen en ook rond Oostende was een gelijksoortige dienst actief.